Versnellen in de bouw zonder ruimte voor vernieuwing loopt vast

Auteur zonder afbeelding icoon
Bouw en Installatie Hub
12 februari 2026
5 min

Er moet een landelijk register komen met goedgekeurde gelijkwaardige oplossingen, stelt Jan Willem van de Groep in deze eerste Zichtlijnen. Want vaak is men voorzichtig met wat nieuw is, terwijl veilige vernieuwing keihard nodig is in de bouw voor de grote versnelling.

Wanneer techniek geen thuisbasis heeft in het recht

In het vakblad Bouwrecht analyseerden Nico Scholten en Arnoud Neerhof recent hoe de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om is gegaan met geschillen waarin bouwtechnische kennis doorslaggevend is. Hun analyse gaat over specifieke uitspraken, maar raakt aan een bredere ongemakkelijke werkelijkheid. Het Nederlandse bouw- en vergunningenstelsel veronderstelt technische deskundigheid, maar organiseert die deskundigheid niet structureel. Juist daar waar juridische oordeelsvorming leunt op technische begrippen, blijkt de noodzakelijke technische diepgang niet altijd aanwezig of leidend.

Wanneer de Van Dale het wint van de bouwpraktijk

Een van de besproken uitspraken betreft het begrip draagconstructie. In een woning is zonder vergunning een houten vloer vervangen door een veel zwaardere vloer, met constructieve schade aan een mandelige muur tot gevolg. Het bevoegd gezag achtte de ingreep vergunningvrij en de Afdeling volgde dat oordeel. Daarbij werd aansluiting gezocht bij een woordenboekdefinitie, waaruit werd afgeleid dat een vloer geen draagconstructie zou zijn.

Voor wie bouwkundig is geschoold, schuurt dit. Een vloer maakt via schijfwerking onderdeel uit van de hoofddraagconstructie en draagt bij aan de stabiliteit van het gebouw. Dat is geen interpretatiekwestie, maar basale constructieve kennis. Ook de wetsgeschiedenis bevestigt dat het begrip draagconstructie bewust ongedefinieerd is gelaten, juist omdat het in de bouwpraktijk een vaste en technisch onderbouwde betekenis heeft.

Van individuele uitspraak naar structureel probleem

Deze casus staat niet op zichzelf. Zij is illustratief voor een dieperliggend probleem. Zodra juridische duiding losraakt van technische context, verschuift de betekenis van regelgeving. Begrippen die zijn bedoeld om veiligheid te borgen, worden taalkundig ingevuld. Daarmee verdwijnt de fysieke realiteit uit beeld. Regels worden toegepast alsof het om woorden gaat, terwijl het in werkelijkheid gaat om krachtswerking, risico’s en faalmechanismen.

Dat dit gebeurt bij de hoogste bestuursrechter, maakt duidelijk dat het probleem niet zit bij individuele uitvoerders of gemeenten. Het is een systeemvraagstuk. Als technische complexiteit zelfs op dit niveau onvoldoende kan worden geborgd, is het onrealistisch om te verwachten dat individuele vergunningverleners dat zonder ondersteuning wél kunnen.

Gemeenten tussen ruimte en risico

Dat raakt direct aan de dagelijkse praktijk van gemeenten en vergunningverleners. Het huidige stelsel biedt expliciet ruimte voor maatwerk, gelijkwaardigheid en vernieuwing. Tegelijkertijd laat het stelsel diezelfde gemeenten grotendeels alleen bij de interpretatie daarvan. Iedere nieuwe toepassing, ieder nieuw materiaal en ieder nieuw bouwconcept vergroot de individuele verantwoordelijkheid en het juridische risico van de vergunningverlener.

In dat licht is voorzichtigheid geen teken van onwil, maar van rationeel gedrag. Het risico dat gemeenten vertragen komt niet voort uit het feit dat zij tegen vernieuwing zijn, maar omdat zij onvoldoende houvast hebben. Het systeem vraagt om beoordeling van complexiteit, maar levert geen gedeeld kader om die complexiteit te duiden en te legitimeren.

Versnelling vraagt om landelijke duiding

Juist daar ligt een belangrijke sleutel. Een deel van de oplossing zit niet in strengere normen of verdere detaillering van regelgeving, maar in betere landelijke duiding. Handvatten, richtlijnen en interpretatiekaders vanuit de rijksoverheid kunnen het verschil maken. Niet als nieuwe regels, maar als gezaghebbende uitleg van bestaande regels. Niet vrijblijvend, maar stevig genoeg om op terug te vallen.

Het rapport STOER raakt deze behoefte ook. Daarin wordt gepleit voor meer uniformiteit, voorspelbaarheid en uitvoerbaarheid in het bouw- en vergunningenstelsel. STOER is gericht op versnelling van het bouwen. Dat is noodzakelijk, maar niet voldoende. Naast versnelling is vernieuwing nodig, omdat het stelsel anders niet kan anticiperen op toekomstige ontwikkelingen, nieuwe inzichten en de normen die daaruit voortkomen. Versnellen zonder vernieuwing betekent dat we sneller bouwen binnen een kader dat de werkelijkheid al heeft ingehaald.

De ontbrekende schakel: collectieve kennisborging

Daarbij ontbreekt nog een cruciale bouwsteen. Zolang gelijkwaardige oplossingen bij iedere gemeente opnieuw moeten worden onderbouwd en beoordeeld, blijft investeren in vernieuwing onnodig risicovol. Dat geldt niet alleen voor gemeenten, maar ook voor ondernemers die aantoonbaar rechtmatige en technisch veilige oplossingen ontwikkelen.

Een landelijk register met goedgekeurde gelijkwaardige oplossingen kan die impasse doorbreken. Geen automatische vergunning, maar een gezaghebbende basis waarop gemeenten kunnen voortbouwen. Een collectief geheugen waarin eerdere beoordelingen, aannames en randvoorwaarden zijn vastgelegd. Daarmee verschuift de verantwoordelijkheid van het individuele dossier naar het stelsel als geheel.

Waarom nieuwheid nu vertraagt

Hier zit de kern van de paradox. Juist nieuwe oplossingen met aantoonbaar bewijs dat ze kunnen leiden tot versnelling, leiden vaak tot vertraging. Niet omdat dat bewijs ontbreekt, maar omdat het systeem niet is ingericht om dat bewijs collectief te dragen. Elke vernieuwende maar bewezen toepassing wordt daardoor een eenmalige exercitie. Elke vergunning een individuele afweging. Elke fout een persoonlijk risico.

Zonder landelijke duiding en zonder gedeelde kennisopbouw blijft innovatie sowieso structureel risicovol. En risico leidt tot vertraging. Niet uit onwil, maar uit zelfbescherming. Dat verklaart waarom gelijkwaardigheidstrajecten zo vaak stroperig verlopen en waarom nieuwheid, ondanks goede onderbouwing, zelden versnelt.

Versnellen is ook sneller leren

Versnelling vraagt daarom iets anders dan alleen tempo. Zij vraagt om kennisinfrastructuur. Om gedeelde interpretaties. Om een systeem dat niet alleen ruimte biedt voor versnelling maar ook voor vernieuwing waarbij de verantwoordelijkheid en risico’s collectief worden gedragen. Zolang versnelling uitsluitend wordt opgevat als sneller bouwen, en niet als sneller leren, blijft het stelsel zichzelf tegenwerken.

De analyse van Scholten en Neerhof maakt dat scherp zichtbaar. Niet als verwijt aan de rechtspraak of aan gemeenten, maar als signaal dat het beoordelingskader is achtergebleven bij de complexiteit van de bouwpraktijk. Zolang woordenboeken worden ingezet waar constructieve duiding nodig is, en zolang gelijkwaardige oplossingen telkens opnieuw moeten worden bevochten, blijft de kloof tussen regelgeving en gebouwde werkelijkheid bestaan. Dat is geen individueel falen, maar een systeemopgave die vraagt om landelijke regie.