Zeg industrieel bouwen en veel mensen zien meteen prefab casco’s, lopende bandwerk en conceptwoningen in drie smaken baksteen voor zich. Efficiënt, snel, herhaalbaar. En ergens in je achterhoofd kruipt meteen de angst mee: straks staat in elke wijk dezelfde copy-paste-buurt, seriematig ongemak in nette rijtjes.
Tegelijkertijd zet de overheid er wel stevig op in, zijn er aannemers die fabrieken hebben gebouwd en moeten we het woningtekort oplossen! Dus deze column is voor mijn vrienden van het IOP. Het Programma van Innovatie en Opschaling van het ministerie van VRO.
Ik zie dat het probleem niet in de fabriek zit. Het probleem zit in hoe wij erover dénken. We hebben industrieel bouwen te vaak behandeld als een doos standaardproducten, in plaats van als een datagedreven proces. En precies dat maakt het verschil tussen een parametrische woningstructuur en de nieuwe generatie galerijflats.
Aan het begin van mijn carrière werkte ik mee aan standaardwoningen voor aannemers. Technisch prima spul: betaalbaar, logisch ingedeeld, goed verkoopbaar, precies wat de markt vroeg tijdens de economische crisis. Maar je zag ook iets anders: dezelfde types doken overal op. Soms raakten ze de doelgroep perfect, soms niet. Alsof je één maat trui in vier kleuren uitdeelt en verbaasd bent dat niet iedereen er lekker in loopt.
De fout zit aan de voorkant. De fabriek is níet het startpunt. De echte start is de informatiebehoefte. Voor wie bouwen we, in welke context, met welke harde eisen en welke zachte patronen in gebruik? Je hebt standaardproducten nodig, maar eerst heb je standaard databrokjes nodig: eisen aan ruimte, geluid, daglicht, energie, toegankelijkheid, onderhoud, beheer. Je zou het parametrisch ontwerpen kunnen noemen maar denk heel goed na wat de parameters zijn.
In de keten zijn er partijen die dat bloedserieus doen. Woningcorporaties bijvoorbeeld. Die draaien analyses op mutaties, klachten, onderhoudskosten, leegstand, woonduur. Die weten precies welke oppervlaktes werken, welke installaties betaalbaar zijn in exploitatie, welke plattegronden ruzie veroorzaken en welke juist rust brengen. Daar zit goud. Maar hoe brengen we deze kennis naar de fabriek?
Tegelijk zijn er bewonersgroepen die niet precies kunnen verwoorden wat ze willen, maar wél voorspelbaar gedrag laten zien. Je ziet het in gebruikspatronen, in data, in hoe mensen hun woningen aanpassen. Daarom zijn sommige standaardwoningen perfect raak. Maar als je alleen naar uitgesproken wensen luistert, mis je de helft van het verhaal.
Industrieel bouwen zonder copy-paste begint daar: bij een serieus informatie-ontwerp. Eerst standaard databrokjes, dan pas standaard betonblokjes.
In mijn hoofd ziet dat er zo uit: je hebt een bibliotheek van informatiebehoeftes (doelgroepen, leefpatronen, prestaties per ruimte) en een bibliotheek van bouwsystemen en elementen (casco’s, geveloplossingen, badkamers, installatiemodules). Industrieel bouwen is dan niet klik concept A aan op locatie B, maar: koppel vraagprofielen aan productbibliotheken en laat een datagedreven proces de logische combinaties zoeken voor deze doelgroep, op deze plek, binnen deze randvoorwaarden.
Prefab wordt dan geen dogma maar een optie. Soms is volledig prefab het slimst, soms een hybride ruggengraat met vrije schil, soms is juist een meer traditionele oplossing rationeel – zolang hij maar door hetzelfde informatie-frame is gegaan. Industrieel gaat over de manier waarop je beslist, niet over één heilig bouwsysteem.
Nu doen we het vaak precies andersom. Eerst wordt het product geoptimaliseerd: dit is ons concept, zo rolt hij uit de fabriek. Daarna wordt de vraag erin gedrukt. Is het klantgericht als we drie gevelvarianten en twee keukens aanbieden? Ondertussen liggen er bij corporaties en gemeenten Excel-sheets die laten zien waarom dit concept in deze wijk net langs de echte behoefte heen schaaft.
Daar komt nog iets bij: de angst voor verlies van autonomie. Architecten vrezen dat een productplatform hun rol verkleint. Aannemers vertrouwen meer op ervaring van het vorige project dan op de kennis van een kozijn- of HSB-bouwer. Terwijl een volwassen industrieel proces juist vraagt dat de beste kennis op elk onderdeel leidend mag zijn – en dat de architect het geheel vormgeeft binnen dat gezamenlijke prestatiekader en de spelregels van het bouwsysteem. Uiteindelijk vertrouwen gemeenten meestal nog het liefst alleen hun eigen afdeling.
Digitalisering is hier geen speeltje, maar de ruggengraat voor transparante besluitvorming. Zonder goed gestructureerde data, zonder gestandaardiseerde informatievelden, zonder koppeling tussen vraagprofielen en productbibliotheken wordt industrieel bouwen gewoon copy-paste met een BIM-model eronder. Mét goede data wordt het een manier om minder tijd kwijt te zijn aan steeds dezelfde fouten, en meer tijd aan de plekken waar het er echt toe doet: de randjes, de mix, de uitzonderingen, datgene wat het project echt uniek maakt.
Fileermoment
De vraag is niet of industrieel bouwen per definitie leidt tot lelijke copy-paste-steden, maar of wij durven te beginnen bij onzichtbare databrokjes in plaats van zichtbare betonblokjes en bouwsystemen. Zolang we een geoptimaliseerd product over een half begrepen vraag schuiven, zijn we alleen maar efficiënt verkeerd aan het bouwen.
Leg eerst de spelregels vast bij de bouwsystemen, toets objectief of die passen bij de vraag op die specifieke locatie – dán kun je snel, transparant en goed bouwen voor de mensen die er echt moeten wonen.
Over Pims digitale doolhof
In deze rubriek neemt Pim je mee in de soms wonderlijke, warrige maar snel veranderende wereld van digitalisering. Hij put uit zijn ervaringen die hij meemaakt als directeur digitalisering van VORM. Pim is uitgesproken, kritisch, maar wil jou bovenal helpen. Loop jij vast in het digitale doolhof? Pim helpt je naar de uitweg…. Heb je een vraag aan Pim of zoek je contact met hem? Volg Pim dan via LinkedIN.
