Het vijfde gebod vaak dé oplossing voor netcongestie en andere systeemproblemen

Auteur zonder afbeelding icoon
Bouw en Installatie Hub
08 oktober 2026
4 min

Er is een regel die nergens staat, maar in vrijwel iedere succesvolle pilot wordt toegepast. Ik noem hem het vijfde gebod. Het spreekwoord dat daarbij hoort is ‘iets door de vingers zien’. Je ziet wat er gebeurt, maar besluit er even niet al te nauwkeurig naar te kijken omdat je begrijpt dat ingrijpen op dat moment het succes niet bevordert.

In Nederland hebben we daar het woord gedogen voor uitgevonden. In veel andere landen zorgen ze er vooraf voor dat wetgeving niet al te knellend wordt voor de uitvoerders. Gedogen heeft inmiddels, helaas, een wat bedenkelijke klank gekregen. Het klinkt alsof de overheid iets niet onder controle heeft of niet durft op te treden. Gedogen heeft echter ook een hele praktische functie. Regels worden namelijk gemaakt voor een werkelijkheid die we kennen. Als die werkelijkheid verandert, veranderen de regels niet meteen mee. Dan ontstaat de situatie waarin oude regels nog gelden, maar de nieuwe praktijk er niet meer in past. Het probleem dat dan ontstaat is dat de nieuwe praktijk wordt geremd omdat we vinden dat eerst het hele stelsel erop aangepast moet worden.

Netcongestie laat dat mooi zien. Op steeds meer plekken kan woningbouw niet meer op de gebruikelijke manier worden aangesloten op het elektriciteitsnet. We denken dat vooral te moeten oplossen met meer kabels, zwaardere transformatoren en nieuwe stations.

Maar je kunt het probleem ook anders benaderen. Nieuwe woningen gebruiken relatief weinig energie, wekken zelf elektriciteit op en kunnen het energiegebruik steeds beter sturen met slimme technologie. Als je op gebiedsniveau opwek, opslag en vraag met elkaar verbindt, heb je veel minder capaciteit van het openbare net nodig dan wanneer iedere woning afzonderlijk op ieder moment zijn maximale vermogen moet kunnen gebruiken. Technisch is dat absoluut geen innovatie meer. Toch gebeurt het niet omdat ons systeem is opgebouwd rond individuele aansluitingen, vaste verantwoordelijkheden, en een netbeheerder die per aansluiting voldoende capaciteit beschikbaar moet stellen. Zodra een gebied zich als één energiesysteem gaat gedragen, loop je daardoor al snel tegen wettelijke en institutionele beperkingen aan.

Je kunt vervolgens wachten tot wetgeving, toezicht, verantwoordelijkheden en marktordening volledig zijn aangepast. Maar tegen de tijd dat dat allemaal is geregeld, zijn we jaren verder. Daar zou het vijfde gebod behulpzaam kunnen zijn.

Niet door de regels massaal aan de kant te schuiven, maar door ruimte te geven aan een oplossing waarvan iedereen begrijpt dat die technisch kan, maatschappelijk wenselijk is en geen onaanvaardbare risico’s oplevert. Ook als die oplossing nog niet helemaal netjes binnen het bestaande stelsel past. Alhoewel we het met warmtenetten wel keurig op gebiedsniveau hebben geregeld. Wat is nieuw?

Bij mijn vroegere werkgever, de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting, waren we daar destijds behoorlijk goed in. Rond experimenten werd tijdelijk een andere werkelijkheid georganiseerd. Men gaf ruimte om eerst te laten zien dat iets werkte en regelde daarna hoe het structureel moest worden ingepast. Die houding zouden we naar mijn idee vaker buiten pilots kunnen gebruiken.

Netcongestie is maar één voorbeeld. Een woningbouwproject beweegt tegelijk door systemen voor water, stikstof, natuur, geluid, bodem, mobiliteit, energie en betaalbaarheid. Elk systeem kent zijn eigen regels en verantwoordelijkheden. Afzonderlijk vaak heel begrijpelijk, maar samen zorgen ze ervoor dat er uiteindelijk niets gebeurt.

De waterbeheerder neemt een verstandig besluit vanuit het waterbelang, de provincie vanuit natuur en de netbeheerder vanuit het elektriciteitsnet. De gemeente volgt haar regels en de ontwikkelaar probeert overal aan te voldoen. Iedereen doet zijn werk en toch wordt er niet gebouwd.

De reactie die daarop volgt is dan meer overlegtafels, meer programmamanagers, versnellingsteams en integrale afwegingskaders. Dat kan soms helpen, maar iedere deelnemer blijft namens zijn eigen systeem aan tafel zitten. Het onderliggende probleem blijft daardoor gewoon bestaan.

Dan moet je verder gaan dan coördineren. Dan moet je durven besluiten dat een regel tijdelijk minder zwaar weegt als die een andere maatschappelijk gewenste oplossing blokkeert. Uiteraard geldt dat niet voor alles. Veiligheid, rechtsgelijkheid en fundamentele belangen zijn iets anders dan regels die vooral vastleggen hoe we het systeem ooit hebben georganiseerd. We behandelen ze te vaak hetzelfde.

Daarmee wordt verandering tegengehouden. Dat geldt overigens ook voor samenwerking. We roepen voortdurend dat partijen over hun eigen grenzen heen moeten kijken, maar hebben die grenzen ondertussen stevig verankerd in wetten, bevoegdheden, financieringsstromen, verantwoordingsregels en toezicht. Vervolgens zijn we verbaasd dat mensen er niet gemakkelijk overheen stappen.

De roep om lef, ondernemende ambtenaren, bestuurders die verantwoordelijkheid nemen en bedrijven die nieuwe dingen proberen is groot. Maar zodra iemand daadwerkelijk buiten de lijntjes kleurt, volgt snel de vraag: waar staat dat het mag?

Een betere vraag is nog, welk publiek belang beschermen we als we dit niet toestaan? Op het moment dat er ruimte wordt gegeven om een regel tijdelijk niet letterlijk toe te passen, moet helder zijn waarom we dat doen, welk maatschappelijk belang ermee is gediend en welke belangen absoluut niet mogen worden geschaad. Maar het uitgangspunt moet niet altijd te zijn dat eerst het hele systeem moet veranderen voordat iemand iets anders mag doen. Bij systeemproblemen kom je er namelijk niet door het systeem nog verder te verfijnen. Vaak moet je over het probleem heen springen om tot een oplossing te komen.

Soms zijn een paar gespreide vingers genoeg om vooruit te komen.